De kerkuil (Tyto alba)
De kerkuil heeft een zeer opvallende hartvormige gezichtssluier, waardoor verwarring met andere uilen uitgesloten is. De lengte bedraagt ongeveer 34 cm. De kleur van het verenkleed aan de bovenzijde is grijs met fijne zwart-witte vlekjes. De onderzijde is licht tot geelbruin, meestal ook met kleine vlekjes. In de vlucht maakt de Kerkuil een opvallend lichte indruk.
Kerkuilen maken zeer typische geluiden. Ter afbakening van het territorium wordt een reeks aanzwellend, schel en krijsend ‘chruuuii’ geroepen. Om de onderlinge paarband tussen man en vrouw te bevestigen worden hees klinkende snurkende tot snorrende geluiden gemaakt. In bedreigende situaties wordt een hard sissend of blazend geluid gebruikt.
Kerkuilen zijn trouw aan elkaar en aan hun nestplaats. Meestal wordt er per jaar één broedsel groot gebracht, in goede muizenjaren kunnen dit er 2 of zelfs 3 zijn. Een broedsel bestaat uit ongeveer 4 tot 7 eieren. De eieren worden ongeveer 4 weken door het vrouwtje bebroed. Het mannetje voorziet haar in deze periode van voedsel. Na ongeveer 8 weken gaan de jongen hun eerste uitstapjes maken, korte tijd later kunnen ze al goed vliegen. Na 3 à 4 maanden verlaten de jongen het ouderlijk territorium en gaan op zoek naar een eigen gebied, meestal binnen 50 kilometer afstand.
Veruit het meest favoriete prooidier van de kerkuil is de veldmuis. Deze komen talrijk voor in korte, ruige vegetaties. Het aantal broedende kerkuilen is per jaar sterk afhankelijk van het aantal veldmuizen: meer Veldmuizen betekent meer kerkuilen. Ook andere muizensoorten staan op het menu. Soms worden ook vogels gepakt, zoals Spreeuwen en Mussen.
De kerkuil komt vooral voor in halfopen agrarische cultuurlandschappen met allerlei landschapselementen die voor afwisseling zorgen. Er wordt vooral gejaagd in het open veld, bij voorkeur op plaatsen waar akkers en graslanden worden afgewisseld met kruidenrijke akkerranden, houtwallen of brede bermen. Als nestplaats worden altijd donkere plaatsen gebruikt. In Nederland zijn dit vrijwel uitsluitend ruimtes in gebouwen, zoals boerderijen, schuren, open loodsen en (kerk)torens. Bijna alle kerkuilen broeden tegenwoordig in speciaal aangebrachte nestkasten, die een veilige en rustige nestplaats bieden. Ook buiten het broedseizoen maakt de kerkuil graag gebruik van deze nestkast.
Halverwege de vorige eeuw broedden er in goede jaren wel 3500 paar kerkuilen in ons land. In slechte jaren lag dit aantal rond de 1800. Na strenge winters in 1962/63 en 1979/80 liep dit aantal terug tot onder de 100 paar. Dankzij intensieve bescherming is het aantal sinds 1988 sterk toegenomen. De laatste jaren overstijgt het aantal weer de 2000 paar. Nu is het belangrijk dit zo te houden!
Copyright © Brabants Landschap