'Als een moede hinde, voorheen het hijgend hert ...'

Op 27 maart liepen we door het Pompveld ter voorbereiding op de Dag van het Landschap. Een vroeg Pasen dit jaar en dat was aan alles te merken. Koud door de gure, harde wind en aan de bomen was nog weinig voorjaar te zien. We struinden over modderpaden, op zoek naar dingen waar we een verhaaltje over konden vertellen. 

De wind gierde door de populieren maar daarbovenuit klonk op veel plaatsen de karakteristieke Ti-Ta tweeklank van de Tjiftjaf. Gelukkig was deze ultieme voorjaarsbode weer terug in het land! Als een deken rollen enkele honderdduizenden van deze superkleine zangertjes zich jaarlijks in de tweede helft van maart over ons land uit. In zekere zin is de naam Tjiftjaf een onomatopee, een naam die het geluid van de vogel weergeeft. Bekender voorbeeld hiervan is de Koekoek maar daarvoor waren we veel te vroeg: die zit waarschijnlijk nog ver weg in Afrika. Als je goed luistert dan hoor je echt de Tsj klank twee maal in de roep. Engelsen horen dat ook en noemen hem Chiffchaff. Hoe de Duitsers dan in vredesnaam Zilpzalp horen is mij een raadsel.

We lopen langs de zandput waarin zowel Winter- als Zomertalingen en enkele Krakeenden zitten. Hier zat afgelopen weken nog een Roerdomp in het riet, vertelt een medewerker van Brabants Landschap. Synchroon met het overal verschijnen van de ‘witte reiger’ (de Grote zilverreiger) verdwijnen de Roerdompen uit de moerassen, waarmee ik niets van een oorzakelijk verband wil duiden. Het aantal broedparen Roerdomp in een gebied als de Biesbosch is op één hand te tellen, hoorde ik afgelopen week. You win some, you loose some. Helaas.  

Even verder in de eendenkooi staan we stil bij de eerste voorjaarsbloeiers: Speenkruid, Hondsdraf en, vreemd in deze natte klei, Klein hoefblad. Boswachter Bart Pörtzgen vertelt dat de grienden rond de kooi gefaseerd worden afgezet zodat er altijd genoeg dekking blijft voor het wild en de eenden. De net afgezette wilgenstobben zijn rijk begroeid met een samenleving van mossen, kostmossen, Grote brandnetel, Moeraswalstro en prachtige varens, soms twee soorten zelfs op één knot.

Door de gekapte griend loopt een wissel, een spoor van Reeën, zo te zien aan de prentjes in de natte modder. Staande aan de kooiplas, met uitzicht op nog een prachtig paar Zomertalingen tussen de Kuifeenden en staleenden, ontstaat een discussie over de reeënstand in het gebied. ‘Ze doen het zo goed dat we erover denken om regulerend op te treden’ vertelt Bart. ‘Als de populatie te groot wordt, gaan ze zwerven en krijgen we aanrijdingen op de omliggende wegen, wat vaak veel schade oplevert.’ Ik kan het bijna niet geloven: hebben we eindelijk een prachtige robuuste natuurparel in het centrale komkleigebied van het Land van Heusden en Altena, ruim 200 hectare maar liefst, en is het voor grote zoogdieren (wat overdreven klinkt voor een ree) weer te klein.

Ergens in de vorige eeuw is er in ons land een omslagpunt bereikt. Waar sinds de oertijd de mens te gast was in een gevaarlijke woeste natuur, draaiden in enkele decennia de rollen om: de natuur werd de bedreigde ‘gast’ in het door ons beheerste cultuurlandschap. Postzegeltjesnatuurbeheer van eilandjes in de grote cultuurzee. Zo heette dat in de jaren zeventig, waarna we gelukkig de Ecologische Hoofdstructuur uitvonden. Toch jammer dat zo’n Ree dat dan weer niet snapt.   

 

Cookie policy

Brabants Landschap gebruikt cookies om bijvoorbeeld de website te verbeteren en te analyseren, voor social media en om ervoor te zorgen dat u relevante advertenties te zien krijgt. Als u meer wilt weten over deze cookies ga dan naar brabantslandschap.nl/cookie-policy. Bij akkoord op deze cookie policy geeft u Brabants Landschap toestemming voor het gebruik van optimale cookies op onze websites. Klik op “Instellingen aanpassen” om uw voorkeuren te wijzigen.

Cookies accepteren Instellingen aanpassen