Zwart weeskind

Op een tropische avond afgelopen week zochten we ’s avonds verkoeling in de tuin. In de late avondschemer maakte een vleermuis een golvende vlucht over onze hoofden. Er was iets met deze vleermuis: de snelheid en gerichtheid van de vlucht ontbrak, het was meer een fladderend dwarrelen. Al gauw besefte ik dat het een nachtvlinder moest zijn, maar niet zomaar eentje, het was een joekel die in grootte dus met een vleermuis kon wedijveren. Ik dacht aanvankelijk aan een of andere pijlstaartsoort, nachtvlinders die allemaal een fors formaat hebben en die ik ken van het nachtvlinderen met de lamp.

Het beest ging zitten tegen de zijkant van een pot met een aardbeiplant die op de terrastafel staat, wat verscholen onder de overhangende bloemen en bladeren. Ik bekeek hem voor zover de schemer het toeliet: een grote motachtige, zeker geen pijlstaart maar zittend in zijn driehoekvorm absoluut een uil. Een weeskind, schoot het door me heen, maar welke? Er was me bij het vliegen geen rood of karmozijnrood van de gelijknamige weeskinderen opgevallen. Het rood weeskind is een grijsgrauwe nachtvlinder als hij stil zit op een muur of een boom maar als hij gaat vliegen zie je het schitterend rood van de achtervleugels. Deze nachtvlindersoorten danken hun naam aan de kleur van de uniformen die weeskinderen vroeger moesten dragen. Geen rood- of karmozijnrood weeskind dus. Zou het dan een zwart weeskind zijn?

Ooit vond ik deze soort op de camping in onze tent, ergens in Bretagne. Dat is al weer ruim tien jaar geleden. Ik wil het zeker weten en probeer de vlinder te scheppen met het net. Mis, zul je altijd zien als het er op aan komt. Gelukkig heb ik het dier goed opgenomen. Met name de lichtere ronde vlekken op de vleugelhoeken vallen op. Dit en de tekening en de gekartelde achterrand van de voorvleugels brengen me in de nachtvlindergids inderdaad bij Mormo maura, het zwart weeskind. Een zeer zeldzame soort die vrijwel uitsluitend voorkomt in Zuid-Limburg; verspreid over het land kunnen zwervers worden waargenomen. Meer recente info van de vlinderstichting (mijn gids is uit 2006) meldt dat hij inmiddels de status ‘vrij zeldzaam’ heeft wat beter overeenkomt met het feit dat de soort sinds 2010 maar liefst 1468 keer is gemeld! Zou het een Zuidelijke soort zijn die profiteert van de al maar warmere zomers?

De waarneming van deze spectaculaire soort komt als geroepen (en enigszins geregisseerd): het is mijn 10.000ste waarneming in waarneming.nl. Voor een waarnemer is dat heel veel, maar alles is betrekkelijk: dagelijks overschrijdt het aantal ingevoerde waarnemingen in het systeem ruimschoots de 10.000. Mijn tienduizend waarnemingen betreffen 1183 soorten organismen, merendeels vogels, planten, dag- en nachtvlinders en libellen, een fractie van de 45.000 (!) soorten die ons land telt. De 500 vierkante meter waar ons huis op staat heb ik als eigen ‘gebied’ gedefinieerd in waarneming.nl. Op en vanuit deze postzegel land heb ik de afgelopen 10 jaar 142 soorten waargenomen, 3 promille van wat er voorkomt in Nederland. Trots kan ik aangeven dat daar wel alle amfibieën van ons Altena bijzitten, bijna allemaal aangelokt door een vijver van 1 bij 1 meter. De eerlijkheid gebiedt dat ik de rugstreeppad in ‘mijn gebied’ hoorde (waarneming) terwijl het paddenkoor in de sloot voor ons huis zit.

Horen is een niet onbelangrijke vorm van waarnemen, en daarmee wordt de actieradius opeens een kilometer terwijl mijn gebiedje een straal heeft van nog geen 15 meter. Omdat ik aan de rand van het dorp woon, kwamen zo de roep van een kwartel en het kwinkeleren van de veldleeuwerik bij mij binnen. Afgelopen nacht hoorde ik zelfs voor het eerst een bosuil roepen! Bijzondere soorten als regenwulp en rode wouw vlogen alleen maar over. Leuk die waarnemingen, maar we moeten wel oppassen dat de biodiversiteits-discussie niet verzand in getallen-fetisjisme, hoe verleidelijk ook. De biodiversiteit die we koesteren als mooie waarnemingen op ons soortenjagers-tableau is altijd maar een topje van de ijsberg. ‘Onderwater’ zit het totaal onbekende bodemleven dat bovengronds plantenleven mogelijk maakt, wat weer talloze insecten laat leven die weer voedsel zijn voor zoveel andere organismen.

Het schier eindeloze voedselweb brengt aan de periferie de soorten in beeld die zich in onze ouderliefde kunnen verheugen. De overgrote meerderheid aan soorten echter zijn weeskinderen, we kennen ze niet of nauwelijks. Zij mogen blij zijn als ze gespaard blijven voor ons vergif, onze afvalstromen, ons asfalt, onze hersenloze omgang met hen. Meer nog dan zij zelf, zouden wij blij moeten zijn met het simpele feit dat ze bestaan: ze vormen het fundament van ons (over)leven en we hebben nog slechts een begin van kennis over hun rol en betekenis. 

Cookie policy

Brabants Landschap gebruikt cookies om bijvoorbeeld de website te verbeteren en te analyseren, voor social media en om ervoor te zorgen dat u relevante advertenties te zien krijgt. Als u meer wilt weten over deze cookies ga dan naar brabantslandschap.nl/cookie-policy. Bij akkoord op deze cookie policy geeft u Brabants Landschap toestemming voor het gebruik van optimale cookies op onze websites. Klik op “Instellingen aanpassen” om uw voorkeuren te wijzigen.

Cookies accepteren Instellingen aanpassen