Broedende dodaars in het Andels Broek

Op 1 juni aan het eind van de middag maak ik een ritje naar het Pompveld. Ik wil kijken of het hooibeestje, deze kleinste onder de vaderlandse zandogen, op zijn zegetocht door Altena ook dit gebied heeft bereikt. Sinds enkele jaren (zie blog 31-07-2017) is dit vlindertje terug. Aanvankelijk enkele exemplaren op een paar plaatsen. 

Sinds vorig jaar is duidelijk een invasie vanuit het Zuiden zichtbaar. Veel km-hokken net ten Noorden van de Bergsche Maas zijn bezet.

Dit zonovergoten jaar leverde de afgelopen weken opnieuw tientallen waarnemingen op van het hooibeestje zodat zeker is dat deze soort zich opnieuw in Altena heeft gevestigd. Uit maar liefst 43 km-hokken van de 212 die het Altena gebied omvat, zijn de afgelopen drie jaren hooibeestjes gemeld. Als dit doorzet dan is deze soort over vijf jaar weer net zo algemeen als vroeger, voor 1991, toen hij in één klap verdween.

Ik parkeer langs de Lage Oldersdijk ter hoogte van de waterbergingsplas die hier enkele jaren geleden is aangelegd door BL in samenwerking met het waterschap. Ik tuur over de plas en zie kuifeenden, krakeenden, meerkoeten en een heel klein fuutje, een dodaars. Verderop zwemt er nog een en duikt direct onder en dan zie ik nog een derde exemplaar, allemaal prachtig in zomerkleed. Zachtjes hoor ik ook het gehinnik over de plas heen klinken, de typische baltsroep van de dodaars. Het lijkt echt of hij hier broedt, misschien zelfs met meerdere paren. De dodaars is als broedvogel zeldzaam in Altena, sterker: ik zou geen tweede plek weten. Heel mijn leven ken ik dit mini-fuutje al als snel wegduikend grauw drijfeendje uit afwateringskanalen in herfst en winter. Maar in zomerkleed? Daarvoor moest ik jaren geleden naar de Lieskampen in de Bommelerwaard. Alleen al deze territoria van dodaarsjes maken het aanleggen van deze plas meer dan waard.

Aan de andere kant van de weg ligt een perceel waarop agrarisch natuurbeheer wordt toegepast. Brede gras-luzerne-banen die al gemaaid zijn. Het maaisel is al een tijdje geleden afgevoerd. Het gras doet pogingen terug te komen maar de komkleigrond is kurkdroog en dooraderd met brede scheuren. Het stoppelgrasveld wordt onderbroken door smalle ingezaaide bloemenstroken. Hier verwacht ik hooibeestjes! Ik loop langs de rand van zo’n strook, gedomineerd door een bloemenzee van margrieten. Ze zijn flink groter dan de echte wilde margriet, een hybride die, zeg maar, een beetje te veel is ingestraald vanuit Tsjernobyl. Hybris duidt de hoogmoed en grootheidswaan aan waarmee de mens bij de oude Grieken de goden trotseerde. Zo zijn onze cultivars, hybriden, een provocatie van de Schepper. Wij kunnen het beter, meer, groter maken. Of het nu om graan, chrysanten, eieren of liters melk per dag gaat, het wilde moet veredeld worden. De duizenden bloemhoofdjes zoemen van de massa’s bijen en zweefvliegen die ze aan trekken. Daar was het om begonnen.

Ik kuier verder, een kleine vos toont zich als eerste vlinder en ik hoor een veldleeuwerik kwinkeleren. Fantastisch! Hij heeft dit perceel met zijn ruige stroken en randen ontdekt. Door de zang van de leeuwerik heen klikt ineens herhaaldelijk het tuu-tu-tuu of - volgens de vogelgids - het kwik-me-dit van een kwartel! Ergens in de verte zit ie in een grasperceel vermoed ik. Ik loop naar de rand van het perceel en de roep wordt luider. Dit moet ik kunnen opnemen met m’n telefoontje. Ik besluit te wachten op een volgend roepsalvo. Stilte. Een karekiet gaat zingen in de rietkraag, maar geen kwartelroep. Ik zie een grote keizerlibel, een lantaarntje, een gewone oeverlibel. In een lage wilgenstruik zingt een gele kwikstaart. Het duurt me te lang en ik loop langzaam terug. In het struikje van de kwikstaart zingt nu een ander vogeltje, een blauwborst blijkt bij inzoomen met m’n kijkertje. Ik ga terug naar de weg. In een bramenruigte langs de perceelgrens zit een grasmus met voer in de snavel. Een eindje verder zingt een mannetje roodborsttapuit vanaf een paaltje. Tèèrpotje denk ik dan meteen, zijn Brabantse naam. Alsof ie met z’n kop in een pot met teer heeft gezeten, zoiets? Ook het vrouwtje laat zich zien. Ik ben in hun broedterritorium, ze worden onrustig van mij. Ik kom terug bij m’n auto en hoor en zie op drie plaatsen in het moeras nog een zangertje met een zwarte kop, de rietgors. En dan nog weer een blauwborst. Het kan niet op. In de verte roept een koekoek. Boven het bos zweeft een buizerd. Wat een natuurrijkdom op de hoogstens 10 hectare die ik hier kan overzien. De investeringen in natuur tonen hier hun rendement. Vorige week stond in Dagblad Trouw weer eens een klaagzang over alle miljarden aan natuurgeld die de teruggang van de biodiversiteit niet kunnen stoppen. Ik las het met gemengde gevoelens. Op een dag als vandaag wordt dit doemdenken gelukkig weer gelogenstraft.

Foto: Bart Pörtzgen

Cookie policy

Brabants Landschap gebruikt cookies om bijvoorbeeld de website te verbeteren en te analyseren, voor social media en om ervoor te zorgen dat u relevante advertenties te zien krijgt. Als u meer wilt weten over deze cookies ga dan naar brabantslandschap.nl/cookie-policy. Bij akkoord op deze cookie policy geeft u Brabants Landschap toestemming voor het gebruik van optimale cookies op onze websites. Klik op “Instellingen aanpassen” om uw voorkeuren te wijzigen.

Cookies accepteren Instellingen aanpassen